‘DE HUTTEN’

De Dooyewaard Stichting heeft enige jaren geleden het perceel aan de Schapendrift 73/75  in Blaricum verworven met daarop drie oorspronkelijke ateliers/hutten, aangekocht door de kunstschilder Theo Lohmann.

De eerste aankoop in 1922 was een houten hut “La Petite Espinette”, een als atelier in gebruik bijgebouw van Huize Parva gelegen nabij de Torenlaan (thans Heideweg 10). In 1924 werd het tweede pandje aangeschaft. Dit was een atelier dat in Laren stond, waar o.a. Ferdinand Hart Nibbrig en Anna Sluijter in gewerkt hebben. Tot slot werd in 1927 de derde aankoop gedaan: één van de oude hutten van de voormalige kolonie uit het zogenaamde Humanitaire Bosje van het terrein van Prof. van Rees (thans in de buurt van Torenlaan 64). Een tekening uit 1917 laat zien dat Piet Mondriaan hier die zomer gewerkt heeft.

 

“LA PETITE ESPINETTE”
De eerste atelier aankoop van Theo Lohmann, in 1922, betrof een houten hut met pannen dak – in het Belgisch een ‘espinette’ genaamd. Het atelier draagt tot op heden de naam ‘La Petite Espinette’.

Het pandje is van oorsprong in 1907 gemaakt door de Blaricumse timmerman Kok voor een perceel nabij de Torenlaan. Het werd daar uit elkaar gehaald en aan de Schapendrift weer opgebouwd. Bij Lohmann’s 75e verjaardag in 1955 vermeldt een krantenartikel in de BEL: ‘Moeder Lohmann, die vóór de koop mee was wezen kijken, had een uitstekend geheugen. Zij wist het nog precies en gaf leiding bij de herbouw.’

 

“HUMANITAIRE BOSJE”
De kleinste van de drie ateliers is een hut die heeft gestaan tussen andere hutten in het ‘Humanitaire Bosje’, voorheen de kolonie van van Rees tussen de Noolseweg en de Torenlaan in Blaricum. Op het perceel van Prof. Jacob van Rees stonden diverse hutten waar tussen 1899 en 1927 door veel mensen in gewoond en gewerkt is. Hieronder waren in ieder geval zijn kinderen. Van Rees liet voor hen door Rueter in landhuisstijl twee hutten bouwen. Zijn zoon, de kunstschilder Otto van Rees woonde daar samen met Adya Dutilh en zijn dochter Mies met kunstenaar Jan Pieter Terwey, die enige faam genoot als Nederlands eerste dienstweigeraar (zelfs Leo Tolstoj sprak zijn waardering uit voor deze daad van verzet).

 

“ATELIER MONDRIAAN”
Otto van Rees woonde enige tijd in Parijs waar hij vermoedelijk Piet Mondriaan leerde kennen. In ieder geval kenden de twee schilders elkaar door bijeenkomsten bij kunstcriticus en schilder Conrad Kickert in wiens atelier diverse avant-gardisten samenkwamen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zat Piet Mondriaan vast in Nederland, waar hij toen zijn zieke vader opzocht.

Mondriaan is eerst naar Domburg gegaan en is daarna van 1915-1919 in Laren gebleven en heeft zowel een zomer(1916) in het ateliervan Otto van Rees gewerkt als ook een zomer(1917) in het “Huisje de Vries”, één van de andere hutten op het terrein. Een in het Gemeente Museum in Den Haag gearchiveerde brief van Maronier toont een tekening met het onderschrift‘Huisje de Vries waarin atelier Mondriaan, zomer 1917’ .

Zeer herkenbaar is de markante schoorsteen die het atelier ook nu nog aan de buitenmuur siert. De Vries was onderwijzer op de Humanitaire School die gevestigd was in het oude Koloniehuis. Het is in deze koloniehut annex atelier “Huisje de Vries” dat Mondriaan zich verder losmaakt van figuratief werk en zijn eerste pogingen tot abstract-geometrisch werk echt doorzet.

In Parijs schildert hij in 1912 een voorzichtig op het kubisme geïnspireerde appelboom met rondingen en ovalen maar in dit atelier rapporteert bovengenoemde briefschrijver Maronier dat Mondriaan werkt ‘…aan een appelleiboom, elke dag een streepje…’ Voor het eerst en vanaf dat moment voor altijd zijn zijn streepjes recht. Hij gebruikt horizontaal en verticaal als op zich zelf staande elementen. Mondriaans ideeën over de harmonie tussen deze twee zijn verbonden aan de theosofische leer, een wereldbeschouwing waar hij zich in die jaren sterk door liet leiden. Er was destijds een actieve groep aanhangers in Laren en Blaricum. Hij ontmoette in 1916 Theo van Doesburg en Bart van der Leck(overigens kort daarop een buurman van Theo Lohmann) en deze drie kunstenaars hebben, ieder op zijn eigen wijze, vanaf 1917 een autonoom gebruik van kleur en vorm. Het Museum Kröller-Müller heeft Mondriaans belangrijkste werken uit 1917 in zijn collectie.

In dit atelier werd de basis gelegd welke volgens Maronier ‘… langzamerhand moet geleid hebben tot de door zwarte lijnen vastgehouden primaire kleurvakken.’ Het is ook vanuit dit atelier dat Mondriaan meehelpt het tijdschrift en de daaruit voortvloeiende kunstbeweging De Stijl gestalte te geven. De Stijl is van belang geweest voor de Europese avant-garde. Kortom een belangrijke periode in Mondriaans ontwikkeling en in de kunsthistorie.

 

“THEO LOHMANN ATELIER”
Theo Lohmann vraagt in 1927 toestemming voor de plaatsing van dit atelier op zijn perceel aan de Schapendrift/Eemnesserweg. Toen dochter Vera Gerson Lohman en haar echtgenoot Ernst Gerson in 1948 hun vier kinderen moesten herbergen zijn het ‘Mondriaan’ atelier en La Petite Espinette aan elkaar geschakeld en uitgebouwd met een stenen vleugel met slaapkamers en badkamer. Het grootste van de drie ateliers, welke gezien wordt als het Theo Lohmann atelier, kent ook een bijzondere historie. Lohmann kocht het in 1924 van de Laarder Jurriaan van der Vliet ‘voor amotie’ naar zijn stuk grond aan de Schapendrift.

Het atelier stond in Laren in een groep van meerdere houten ateliers aan de Molenweg 297 aan de rand van het dorp aan de eng. Uit het gemeente archief van Laren blijkt dit het atelier van Ferdinand Hart Nibbrig te zijn geweest. Het dateert waarschijnlijk van 1894, toen Hart Nibbrig naar Laren kwam. Al bestaat de mogelijkheid dat hij een toen al bestaand atelier betrok. P.H. van Moerkerken geeft in zijn sleutelroman “de Ondergang van het Dorp” een fraaie beschrijving van de ateliers die in de periode rond 1880 door de lokale timmerman voor de kunstenaars gebouwd werden. De beschrijving die van Moerkerken geeft lijkt rechtstreeks van toepassing op het atelier Lohmann. Dat zou daarmee het enig bewaard gebleven losse Larense atelier zijn uit de tijd van Mauve.

 

HART NIBBRIG EN ANNA SLUIJTER
Hart Nibbrig heeft van 1894 tot zijn overlijden in 1915 grotendeels in Laren gewoond. Hij brak met de schildertraditie van Mauve – geen destijds zeer populaire schapen op de hei of boerinnen met kind. Hij heeft bewust geprobeerd het licht te vangen en schilderde in frisse, helle kleuren zon overgoten taferelen, vaak in een pointillistische stijl. Zijn portretten tonen doorgroefde koppen van Larense boeren en zijn grote werk De Erfgooiers vol met opstandige boeren gaf een veel realistischer beeld van de lokale harde werkelijkheid dan de liefelijke boeren interieurtjes.

Na Hart Nibbrig is het atelier van 1917-1922 gebruikt door J.J.H. ‘Anna’ Sluijter – één van de eerste vrouwelijke kunstenaars die tot de Luministen gerekend kan worden. Sluijter woonde in het atelier met haar zoon Albert, destijds nog student, maar bij zijn overlijden geroemd als violist en klavecimbelbouwer. Het lijkt waarschijnlijk dat het atelier eerst gestaan heeft in de tuin naast het woonhuis van Hart Nibbrig aan de Naarderstraat in Laren en ook door ‘amotie’ verplaatst is naar wat destijds slechts aangeduid werd als ‘297’ (het 297e pand in Laren).

Onderzoek heeft uitgewezen dat ‘297’ lag aan de huidige St. Jansstraat 34B in Laren. Dit was destijds een creatief buurtje. Het atelier stond er naast meerdere ateliers en vlak bij de succesvolle galerie, de ‘Larensche Kunsthandel’, van Nico van Harpen. Het pension van de weduwe Kam, het ‘Boarding House’, was dé plek waar buitenlandse kunstenaars hun intrek namen en ook dat lag naast het atelier.

In 1931 krijgt Lohmann van de gemeente toestemming voor het plaatsen van een ‘serre’ aan het atelier. Volgens familie overlevering is deze serre afkomstig van een villa uit Baarn. Theo Lohmann heeft tot zijn dood in 1963 in dit atelier gewerkt en gewoond en daarna is het in gebruik genomen door zijn dochter Vera.

Dooyewaard Stichting en "de Hutten".Dooyewaard Stichting en "de Hutten".