NU IN ATELIER MONDRIAAN
De Dooyewaard Stichting feliciteert Ronald Zuurmond als eerste winnaar van de Mondriaan Atelierprijs!! De Mondriaanprijs prijs is een nieuwe Nederlandse kunstprijs en … lees meer

 

GESCHIEDENIS VAN ATELIER MONDRIAAN
Deze voormalige koloniehut uit het (tussen Noolseweg, Torenlaan en Prof. van Reeslaan gelegen) Humanitaire Bosje werd gebouwd rond 1900 en na een uitbreiding met een woongedeelte  rond 1910 in 1927 op de huidige locatie geplaatst. In deze hut werkte Mondriaan in 1917, het jaar waarin de kunstrichting “de Stijl” ontstond. In dat jaar maakte Mondriaan zich definitief los van het figuratief werk. In het Haags Gemeentemuseum bevinden zich twee tekeningen van deze hut, zoals hij er in 1917 uitzag. Zeer herkenbaar is de markante schoorsteen die het atelier ook nu nog aan de buitenmuur siert. Mondriaan klaagde in 1917 over het gebrek aan goed licht in deze hut, die immers niet als atelier gebouwd werd. Oorspronkelijk was de hut met riet gedekt.

 

Huisje de Vries-bron: Haags gemeentemuseum  Mondriaan-Bloeiende appelboom 1912

 

DE OMZWERVINGEN VAN MONDRIAAN
Otto van Rees woonde enige tijd in Parijs waar hij vermoedelijk Piet Mondriaan leerde kennen. In ieder geval kenden de twee schilders elkaar door bijeenkomsten bij kunstcriticus en schilder Conrad Kickert in wiens atelier diverse avant-gardisten samenkwamen. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zat Piet Mondriaan vast in Nederland, waar hij toen zijn zieke vader opzocht.

Mondriaan is eerst naar Domburg gegaan en is daarna van 1915-1919 in Laren gebleven en heeft zowel een zomer (1916) in het atelier van Otto van Rees gewerkt als ook een zomer (1917) in het “Huisje de Vries”, één van de hutten op het terrein van de huidige eigenaar, de Dooyewaard Stichting). Een in het Gemeente Museum in Den Haag gearchiveerde brief van Maronier toont een tekening met het onderschrift ‘Huisje de Vries waarin atelier Mondriaan, zomer 1917’ . Zeer herkenbaar is de markante schoorsteen die het atelier ook nu nog aan de buitenmuur siert.

De Vries was onderwijzer op de Humanitaire School die gevestigd was in het oude Koloniehuis. Het is in deze koloniehut annex atelier “Huisje de Vries” dat Mondriaan zich verder losmaakt van figuratief werk en zijn eerste pogingen tot abstract-geometrisch werk echt doorzet.

 

In Parijs schildert hij in 1912 een voorzichtig op het kubisme geïnspireerde appelboom met rondingen en ovalen maar in dit atelier rapporteert bovengenoemde briefschrijver Maronier dat Mondriaan werkt ‘…aan een appelleiboom, elke dag een streepje…’ Voor het eerst en vanaf dat moment voor altijd zijn zijn streepjes recht. Hij gebruikt horizontaal en verticaal als op zich zelf staande elementen. Mondriaans ideeën over de harmonie tussen deze twee zijn verbonden aan de theosofische leer, een wereldbeschouwing waar hij zich in die jaren sterk door liet leiden. Er was destijds een actieve groep aanhangers in Laren en Blaricum. Hij ontmoette in 1916 Theo van Doesburg en Bart van der Leck (overigens kort daarop een buurman van Theo Lohmann) en deze drie kunstenaars hebben, ieder op eigen wijze, vanaf 1917 een autonoom gebruik van kleur en vorm. Het Museum Kröller-Müller heeft Mondriaans belangrijkste werken uit 1917 in zijn collectie.

In dit atelier werd de basis gelegd welke volgens Maronier ‘… langzamerhand moet geleid hebben tot de door zwarte lijnen vastgehouden primaire kleurvakken.’ Het is ook vanuit dit atelier dat Mondriaan meehelpt het tijdschrift en de daaruit voortvloeiende kunstbeweging De Stijl gestalte te geven. De Stijl is van belang geweest voor de Europese avant-garde. Kortom een belangrijke periode in Mondriaans ontwikkeling en in de kunsthistorie.